Introductie
De Rechtbank in Düsseldorf heeft in een verstekvonnis van 22 december 2025 geoordeeld dat de body van de Fender Stratocaster‑gitaar kwalificeert als een auteursrechtelijk beschermd werk. Fender beroept zich nu actief op dit vonnis in sommatiebrieven aan gitaarfabrikanten in heel Europa, met eisen tot vernietiging van voorraden en onder dreiging van forse boetes. Tegelijkertijd rijst de vraag hoe solide deze beslissing eigenlijk is en in hoeverre zij daadwerkelijk een monopolie op de vorm van de Stratocaster kan dragen.
De feiten en het vonnis
Een Chinees bedrijf verkocht elektrische gitaren via AliExpress met een body die vrijwel identiek is aan die van de Stratocaster. Fender is daarop in Duitsland een procedure gestart. De gedaagde is niet verschenen, waarna de rechtbank een verstekvonnis heeft gewezen.
De Duitse rechtbank kwalificeert de Stratocaster‑body als een auteursrechtelijk beschermd werk. Daarbij wijst de rechtbank een aantal elementen aan als uitdrukking van de vrije creatieve keuzes van Leo Fender, zoals het ontbreken van scherpe randen, de zachte, vloeiende lijnen die volgens de rechtbank doen denken aan een vrouwelijk bovenlichaam, met heupen, een taille en armen, en de asymmetrische S‑vormen en verlengde bovenste hoorn, die de indruk wekken dat de gitaar naar iets in de verte reikt.
Volgens de rechtbank heeft de body daarmee niet alleen een asymmetrische vorm, maar wekt zij ook de indruk van een danser die licht naar één kant helt. Die indruk van een lichaam in een rekkende beweging wordt versterkt door de specifieke driedimensionale vormgeving.
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat een dergelijk futuristisch, elegant en tijdloos ontwerp van een gitaarbody ten tijde van de ontwikkeling en introductie van de Stratocaster iets wezenlijk nieuws vormde. Binnen het destijds bestaande vormgevingserfgoed, zoals door eiseres uiteengezet, bestond niets dat daarmee vergelijkbaar was.
Kanttekeningen bij het vonnis
De meest in het oog springende zwakte is dat het om een verstekvonnis gaat. De beslissing is gegeven zonder enig tegensprekelijk debat over technische of functionele beperkingen, over het bestaande vormgevingserfgoed voor gitaren in de jaren vijftig, of over Fenders langdurige tolerantie van lookalikes. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid moest de rechtbank uitgaan van het door Fender gepresenteerde vormgevingserfgoed, terwijl er oudere gitaarbodies kunnen bestaan die twijfel zaaien over de oorspronkelijkheid van de Stratocaster. Het is allerminst zeker dat een procedure op tegenspraak – mogelijk met bewijs over functionele beperkingen en gangbare ontwerpstandaarden – tot dezelfde uitkomst zou hebben geleid.
Met name het functionele, technisch bepaalde karakter van de vormgeving van de Stratocaster‑body is een punt van discussie dat in een procedure op tegenspraak tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Verschillende elementen die de rechtbank aanmerkt als creatieve keuzes, blijken in de praktijk vooral functioneel en ergonomisch van aard te zijn. Zo legt muziekinstrumentenretailer Thomann uit dat “de upper horn zorgt voor perfecte balans, de cutaways maken het makkelijker om in de hogere regionen te spelen en de contouren van de body verhogen het speelcomfort. De vorm van de Stratocaster is gecreëerd om muzikanten het meest functionele en ergonomische gereedschap te bieden.”[1]
Afgeronde randen en gebogen contouren zijn dan minder het resultaat van vrije creatieve keuze en meer een logische reactie op de vereisten van het comfortabel vasthouden en bespelen van een elektrische gitaar, en dus technisch of functioneel bepaald.
Fenders handhavingsstrategie en de implicaties
De Stratocaster is ontworpen in 1954, inmiddels meer dan zeventig jaar geleden. Fender heeft decennialang weinig serieuze actie ondernomen tegen de talloze gitaren die de Stratocaster‑vorm benaderen. Eerdere pogingen om bescherming te verkrijgen via het merkenrecht en het octrooirecht zijn mislukt. Tegen die achtergrond is de recente koerswijziging in de handhaving – leunen op één gunstig nationaal verstekvonnis als springplank voor verstrekkende sommatiebrieven – opvallend. Boeteclaims van EUR 250.000 per inbreuk, in combinatie met eisen tot vernietiging van voorraad, worden gebaseerd op een beslissing met een beperkte overtuigingskracht.
Het vonnis van de Rechtbank Düsseldorf mag de Stratocaster‑body dan wel verheffen tot een auteursrechtelijk beschermd werk, maar vormt een wankele basis voor een brede monopolisering van de gitaarvorm. De combinatie van verstekprocedure, mogelijk door de functie bepaalde ontwerpkeuzes en Fenders lange periode van stilzitten ten aanzien van lookalikes maakt dat andere rechtbanken direct verplicht zijn deze lijn te volgen. Fenders recente golf aan sommatiebrieven laat zien hoe één gunstig vonnis kan worden ingezet om feitelijke exclusiviteit te claimen; het is aan toekomstige rechters om te bepalen of deze handhavingsstrategie auteursrechtelijk werkelijk kan worden volgehouden.
[1] https://www.thomann.de/blog/en/inside/thomann-takes-legal-action-against-fender/